'Mijn leven is voltooid. Ik heb een fantastisch leven gehad'

Bob van Dam vindt dat hij lang genoeg heeft geleefd. Maar zelf een eind aan zijn leven maken, is nog niet zo gemakkelijk. Hij zou graag hulp hebben. Een gesprek met Bob en zijn goede vriend Harm.

door Anja Krabben

Bob van Dam (88) ontvangt Harm (78) en mij in zijn lichte eengezinswoning in Alkmaar. Hij heeft graag dat Harm erbij is, omdat zijn geheugen hem af en toe in de steek laat. Het opstaan uit zijn stoel gaat wat moeilijk, hij loopt onzeker. Het is duidelijk dat hij blij is met onze komst. ‘Dat is wat het bezoek meestal ziet’, zegt Harm, ‘dat Bob opleeft als er iemand langskomt.’

Bob heeft enkele trouwe vrienden, ‘de jongens’ noemt hij ze – hoewel er ook vrouwen bij zijn – die elkaar zo’n veertig jaar kennen. Samen met zijn vrouw, die in 2003 overleed, was hij lid van dezelfde eetgroep als Harm.

Bob heeft een dochter die hij regelmatig ziet en Harm komt vaak langs. Sinds kort is er ook elke dag thuiszorg. Toch zit hij de meeste tijd alleen.Bob van Dam

En als de winter dan lang en koud is, zoals dit jaar, komt hij helemaal de deur niet meer uit. Hij heeft het een keer geprobeerd. ‘Ik wilde een kaart op de bus doen, maar de kou viel op mijn binnenste. Het was zo heftig.’ Tot overmaat van ramp is hij uitgegleden. Wekenlang was hij nauwelijks in staat om te lopen. ‘De hele winter heb ik hier in mijn stoel gezeten’, zegt hij.
 

Behalve artrose heeft Bob een zwak hart en deze winter kreeg hij drie keer blaasontsteking. Verder lijdt hij aan incontinentie en een slecht kortetermijngeheugen. ‘Ik vergeet dingen, kan woorden vaak niet vinden.’

Het zijn geen levensbedreigende aandoeningen, maar alles bij elkaar, inclusief het alleenzijn, is het genoeg voor Bob om vast te stellen dat hij niet meer wil leven.

Harm: ‘Zijn aandoeningen zijn niet erg genoeg om eraan dood te gaan. Terwijl hij vindt dat hij allang dood had moeten zijn.’

Bob: ‘Ja, dat is zo.’

Bob heeft geprobeerd de daad bij het woord te voegen. De eerste ‘poging’ was in 2004, toen zijn pacemaker moest worden vervangen. ‘Ik lag op die tafel en dacht: ik wil dit helemaal niet. Zegt die arts: “Dan gaat u dood.” Ik zei: “Maar dat wil ik ook.”’

Harm: ‘Bob ging met zijn oude pacemaker weer naar huis en kreeg de boodschap dat hij nu niet meer mocht autorijden. Maar dan kon hij nergens meer naartoe. Ik begrijp dus heel goed dat hij toen heeft besloten toch maar een nieuwe pacemaker te laten aanbrengen.’

Daarna schakelde Bob Stichting De Einder in. Het was een teleurstelling: pillen bestellen via internet bleek veel ingewikkelder dan hem was gezegd. Niet veel later, in 2006, besloot hij te stoppen met eten en drinken. ‘Ik heb een dikke week op bed gelegen zonder iets te nemen. Ik kwam in een soort euforische toestand terecht, het voelde eigenlijk helemaal niet slecht. Maar mijn vriend Piet kwam en die heeft het me uit het hoofd gepraat. Hij zei: “Dat blijft niet zo, het wordt heel erg.” Hij had het meegemaakt bij een familielied. Dat schrok af, dus ik ben gestopt.’

Zijn laatste poging dateert uit 2008. ‘Ik deed het volgens het Schotse boekje’, zegt Bob. Hij nam pillen en deed een plastic zak over zijn hoofd, maar hij werd gevonden door personeel van het zorgcentrum waar hij op dat moment tijdelijk woonde. ‘Het wil gewoon niet lukken. Kijk, ik wil niet voor de trein springen of mezelf ophangen. Dat is gruwelijk, voor iedereen. Trouwens, ik durf dat niet eens; pillen innemen wel. Ik heb een keer in zee gestaan, met de bedoeling me te verdrinken. Maar ja, ik kan goed zwemmen en het water was zo koud. Toen ben ik er maar weer uitgegaan.’

Hij heeft de huisarts laten weten dat hij dood wil en haar onder andere via een euthanasieverklaring om hulp gevraagd. ‘“Nee, dat doe ik niet”, zei ze, “want dat is strafbaar.” Goed, ze hoeft het niet te doen, maar ik vind dat ze dan moet doorverwijzen naar een arts die het wel doet.’

Harm: ‘Of op zijn minst een serieus gesprek met Bob moet aangaan over zijn doodswens.’ Eigenlijk laat de huisarts het helemaal afweten, zegt zowel Bob als Harm.

Bob: ‘Met de blaasontsteking is ze niet geweest. Ik belde en kreeg de assistente. Die zei dat ik mijn plas moest brengen.’

Harm: ‘Hij zat hier alleen thuis, kon niet lopen, had nog geen thuiszorg. Ik heb dat plasje weggebracht en er een briefje bij gedaan voor de huisarts: u mag wel eens naar die man omkijken. Er is een keer een vervanger geweest, nu alweer maanden geleden.’

Bob: ‘En op mijn leeftijd neem je geen nieuwe huisarts meer.’ (De huisarts was niet bereikbaar voor commentaar, red.)

Generatie

Bob praat openlijk over zijn doodswens, met zijn vrienden en ook met zijn dochter. ‘Mijn dochter kan het zich voorstellen. Ze praat het me niet uit het hoofd, maar ze praat het me ook niet aan.’

Bob en Harm zouden graag zien dat de euthanasiewet wordt veranderd; ze staan helemaal achter het burgerinitiatief Uit Vrije Wil.

Bob: ‘Wij zijn van de generatie van baas in eigen buik en seksuele vrijheid. De vrijheid om zelf aan te geven wanneer je niet meer wilt leven, hoort daar vanzelfsprekend bij.’

Harm: ‘Ik begrijp zijn wens, maar ik durf hem niet te helpen, wil het ook niet – ik sta er te dichtbij. Je zou het iemand anders dan de huisarts moeten kunnen vragen, de apotheker bijvoorbeeld. Of je leidt speciaal mensen op, verpleegkundigen of anderen, die bij een serieuze doodswens echt helpen. Stel er is een pil van Drion – ik weet dat dit een symbolische pil is en dat het niet zo gemakkelijk ligt –, ik zou dan tegen Bob zeggen: kijk hier ligt de pil. Ik denk dat Bob er niet eens meteen gebruik van zou maken, maar het idee dat ie er is, helpt al. Dat zou ik later ook willen.’

Boomtoppen

Bob: ‘Mijn leven is voltooid. Ik heb een fantastisch leven gehad, en dat krijg ik nooit meer terug.’ Harm: ‘Bob had altijd een druk sociaal leven. Samen met zijn vrouw Ans was hij een van de voorvechters van leefgemeenschappen. Hij heeft er enkele opgezet en erin gewoond. Hij is een echt gemeenschapsmens.’

Bob: ‘Door de ziekte van mijn vrouw moesten we hier naartoe verhuizen. Het is idioot om hier in mijn eentje te zitten.’ Weer in een woongroep gaan, ziet hij niet gebeuren. In 2008 woonde hij tijdelijk in een aanleunwoning.

Harm: ‘Het was een groot flatgebouw, de deur ging achter hem dicht en hij was moederziel alleen, zag alleen de boomtoppen. Het hoorde bij een zorgcentrum, maar hij was er doodeenzaam.’ Bob: ‘Het belangrijkste is dat ik mijn vrouw nooit meer terugkrijg. Ik was 41 jaar met haar. Ze was bijzonder, zo’n vrouw krijg ik nooit meer. Ik mis haar dagelijks.’

Harm: ‘Bob wil graag sociale contacten, maar heeft er domweg de energie niet meer voor. Ook als wij vrienden aanbieden hem te komen halen en weer thuis te brengen, is het te veel voor hem. Bij de eetgroep komt hij niet meer, omdat hij de gesprekken niet meer kan volgen. Hij kan op dit moment niet autorijden en het biljarten dat hij graag deed, is gestopt.’

Bob: ‘Ik kijk televisie en lees boeken, maar dat lost niets op. Ik ben niet depressief, maar zie geen toekomst meer. En ik ben niet bang voor de dood. Ik denk dat er niets is hierna. Ik zie de dood echt als een bevrijding: hč, hč, het is voorbij. Het liefst zou ik vanavond naar bed gaan en niet meer wakker worden.’
 
Terug naar boven