rechtspraak
Rechtspraak euthanasie en hulp bij zelfdoding
In het Wetboek van Strafrecht (1886) worden euthanasie en hulp bij zelfdoding (WvS art. 293 en art. 294) strafbaar gesteld. Euthanasie kan worden gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaar, hulp bij zelfdoding met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar.
In de loop van de jaren echter zijn in de rechtspraak een aantal zorgvuldigheidseisen ontwikkeld. Tot de inwerkingtreding van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding in 2002 kon de arts, als hij aan deze zorgvuldigheidseisen had voldaan, een beroep doen op de rechtvaardigingsgrond overmacht in de zin van noodtoestand (WvS art. 40).
Het gedrag komt wel overeen met het in art. 293 c.q. art. 294 omschreven delict, is wel bewezen, maar dit gedrag is niet strafbaar omdat er sprake is van een noodtoestand, een conflict van plichten. Enerzijds heeft hij de plicht het leven te beschermen, anderzijds heeft hij de plicht een mens uit zijn ondraaglijk lijden te verlossen. Bijvoorbeeld door euthanasie toe te passen of hulp bij zelfdoding te verlenen. Na de inwerkingtreding van de nieuwe wet hoeft de arts niet meer zijn toevlucht te nemen tot het overmachtsartikel.
Door in het Wetboek van Strafrecht een bijzondere strafuitsluitingsgrond op te nemen is de arts die euthanasie toepast of hulp bij zelfdoding verleent niet langer strafbaar.
Wel moet hij, net als voor 2002, voldoen aan een aantal zorgvuldigheidseisen:
- De arts moet overtuigd zijn dat er sprake is van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt;
- De arts moet ervan overtuigd zijn dat er sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt;
- De arts moet de patiënt informeren over de situatie waarin deze zich bevindt en over diens vooruitzichten;
- De arts moet met de patiënt tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin deze zich bevindt geen redelijke andere oplossing is;
- De arts moet tenminste één andere, onafhankelijke arts (consulent) raadplegen, die de patiënt ziet en schriftelijk zijn oordeel geeft over de hierboven genoemde zorgvuldigheidseisen (bij psychisch lijden moet ook een psychiater worden geraadpleegd);
- De levensbeëindiging/hulp bij zelfdoding moeten worden uitgevoerd op medisch zorgvuldige wijze.
Tevens moet de arts euthanasie of hulp bij zelfdoding melden bij de gemeentelijke lijkschouwer. Deze stuurt een door de arts opgesteld verslag door naar een van vijf regionale toetsingscommissies (bestaande uit een medicus, een ethicus en een jurist). De commissie toetst het handelen van de arts aan de zorgvuldigheidscriteria. Als de commissie oordeelt dat de arts zorgvuldig heeft gehandeld, is daarmee de zaak afgedaan. Is dit niet het geval dat stuurt de commissie haar oordeel aan het Openbaar Ministerie en aan de Inspecteur voor de Gezondheidszorg. De arts kan dan alsnog vervolgd worden.
Hierna zijn enkele rechterlijke uitspraken opgenomen die van belang zijn geweest in het ontwikkelen van de zorgvuldigheidseisen. Alle zaken speelden voordat de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding van kracht werd.
1973 G.E. Postma-van Boven
De eerste belangrijke rechterlijke beslissing inzake euthanasie is genomen door de Rechtbank Leeuwarden.
Op 19 oktober 1971 dient een Friese arts haar doodzieke moeder een dodelijke injectie morfine toe. De arts was tot haar daad gekomen nadat haar moeder haar bij herhaling had verzocht een einde aan haar leven te maken.
De Rechtbank spreekt uit dat levensverkortend handelen gerechtvaardigd kan zijn als aan bepaalde voorwaarden is voldaan, te weten:
- De patiënt is door ziekte of ongeval ongeneeslijk ziek;
- Het lichamelijk of geestelijk lijden is voor de patiënt ondraaglijk;
- De patiënt heeft te kennen gegeven het leven te willen beëindigen;
- De ingreep is door een arts verricht.
Omdat de door de arts gebruikte methode als onjuist wordt beoordeeld wordt haar beroep op overmacht verworpen. Zij wordt, wegens overtreding van art. 293, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een week met een proeftijd van een jaar.
Dit vonnis is heel belangrijk omdat in latere rechterlijke beslissingen de hier genoemde voorwaarden een belangrijke toetssteen zijn voor de toelaatbaarheid van euthanasie én hulp bij zelfdoding.
1981 C. Wertheim-Elink Schuurman
Een tweede belangrijke beslissing is die van de Rechtbank Rotterdam. In deze zaak gaat het om een vrouw (geen arts) die een andere vrouw behulpzaam is bij zelfdoding. Op haar verzoek zorgt zij voor het dodelijk medicijn en dient haar dit toe, waarna de ander overlijdt.
Betreffende vrouw was alcoholiste en vanaf haar jeugd was haar leven een aaneenschakeling van ellende. Ze leefde geïsoleerd en dacht aan kanker te lijden.
De Rechtbank overweegt:
- dat tegenwoordig volgens velen -anders dan ten tijde van het opstellen van het Wetboek van Strafrecht- zelfdoding in uitzonderlijke gevallen niet per se onaanvaardbaar is;
- dat het zowel voor de betrokkene als voor de omgeving van groot belang is dat dit niet op gruwelijke wijze gebeurt;
- dat dit in het algemeen niet mogelijk is zonder de hulp van anderen.
De Rechtbank grijpt terug op de criteria van de Rechtbank Leeuwarden. Aan deze criteria voegt zij een nieuw zorgvuldigheidscriterium toe:
- de beslissing om hulp te verlenen mag niet door één persoon worden genomen en bij de beslissing dient altijd een arts betrokken te zijn, die het te gebruiken middel zal voorschrijven.
De Rechtbank acht hulp bij zelfdoding bewezen (Wetboek van Strafrecht art. 294). Omdat aan de meeste voorwaarden niet is voldaan (o.a. de vrouw is geen arts!) wordt het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand niet gehonoreerd. De vrouw wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van een jaar.
Dit vonnis is belangrijk omdat hierin voorwaarden worden geformuleerd voor een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand voor hulp bij zelfdoding.
1983-1986 P.L. Schoonheim
Een huisarts beëindigt het leven van een hoogbejaarde vrouw op haar uitdrukkelijk en ernstig verlangen door toediening van een dodelijke injectie.
Op de rechtszitting te Alkmaar wordt de arts ontslagen van rechtsvervolging. De overwegingen die leidden tot deze uitspraak waren de volgende:
- Het zelfbeschikkingsrecht inzake levensbeëindiging wordt in steeds breder kring aanvaard;
- Om het eigen leven op aanvaardbare wijze te beëindigen is hulp van derden noodzakelijk. Daarom ontbreekt bij het verlenen van hulp bij vrijwillige levensbeëindiging de materiële wederrechtelijkheid, ook al is in formele zin sprake van overtreding van artikel 293 van het Wetboek van Strafrecht. Anders gezegd: Een op zichzelf strafbare handeling (toepassen van euthanasie) wordt niet gestraft omdat dit de enige wijze is om het geoorloofde doel (het recht van een patiënt op aanvaardbare manier zijn leven te beëindigen) te bereiken;
- Afwezigheid van materiële wederrechtelijkheid bij deze hulpverlening kan alleen aangenomen worden als sprake is van een weloverwogen verzoek op grond van duurzaam lijden van de hulpvrager. Zowel bij de beoordeling van de vraag als bij de hulpverlening zelf is de grootste zorgvuldigheid in acht genomen.
Voor het eerst in de geschiedenis van het Nederlands recht wordt euthanasie, zoals omschreven in art. 293, wel bewezen maar niet strafbaar geacht.
Het Hof van Amsterdam doet de uitspraak teniet: beroep op ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid wordt verworpen, evenals het beroep op noodtoestand (omdat niet is komen vast te staan dat de patiënt objectief ondraaglijk leed). De arts wordt schuldig verklaard, zij het zonder oplegging van straf.
Voordat de Hoge Raad (1984) de zaak terugverwijst naar het Hof Den Haag omdat het Hof Amsterdam beroep op overmacht onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen, spreekt hij uit dat euthanasie onder bepaalde voorwaarden geoorloofd is met een beroep op noodtoestand; de eerste uitspraak van ons hoogste rechtscollege over dit onderwerp.
Pas het Hof Den Haag (1986 intussen) honoreert het beroep op noodtoestand en ontslaat de huisarts van alle rechtsvervolging.
1993-1995 B.E. Chabot
In dit geval beëindigt een vrouw haar leven door middel van medicijnen, die haar zijn verschaft door een psychiater.
Lichamelijk is de vrouw gezond. De psychiater concludeert dat bij de vrouw sprake is van ernstige rouw met begeleidende depressieve verschijnselen, maar volgens hem is er geen sprake van een psychiatrische stoornis. Sinds jaren lijdt de vrouw psychisch als gevolg van vroegere huwelijksproblemen en de daaruit voortvloeiende echtscheiding, alsook door het overlijden van haar beide zoons.
Na te hebben gepoogd zich het leven te benemen, komt ze in contact met psychiater Chabot.
In de rechtspraak was tot dan toe nooit onderscheid gemaakt tussen lichamelijk lijden en psychisch lijden. Psychisch lijden was echter altijd gemakkelijk in verband te brengen geweest met een duidelijke somatische of psychiatrische ziekte. Hier hebben we te maken met een andere situatie. Deze vrouw lijdt psychisch zonder dat daar een lichamelijke of duidelijke psychiatrische ziekte aan ten grondslag ligt.
De Rechtbank Assen passeert in haar vonnis de vraag of de vrouw ziek was in psychiatrische zin. Uitsluitend van belang is dat haar lijden ondraaglijk en uitzichtloos is en of haar hulpvraag in vrijheid en weloverwogen tot stand kwam; de klassieke eisen in de jurisprudentie over euthanasie. Uit welke oorzaak het lijden is ontstaan oordelen de rechters niet van belang.
De Rechtbank oordeelt dat hulp bij zelfdoding (art. 294) is bewezen maar dat er sprake was van een voor de vrouw ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Tevens dat de psychiater uiterst zorgvuldig en medisch verantwoord te werk is gegaan. Het beroep van de arts op overmacht in de zin van noodtoestand wordt gehonoreerd: de arts wordt ontslagen van rechtsvervolging.
In hoger beroep bij het Hof Leeuwarden komt de rechter tot dezelfde conclusie.
De zaak wordt vervolgens voorgelegd aan de Hoge Raad. De Hoge Raad volgt de opvattingen van de Rechtbank Assen en het Hof Leeuwarden op bijna alle punten, maar constateert dat Chabot op een punt in gebreke is gebleven. Hij heeft verzuimd zijn patiënte door een tweede psychiater persoonlijk te laten onderzoeken (sindsdien als zorgvuldigheidseis toegevoegd ingeval van psychisch lijden). De Hoge Raad verklaart Chabot schuldig zonder oplegging van straf.
Het belang van de uitspraken van Assen, Leeuwarden en de Hoge Raad is dat voor het eerst lijden wordt losgekoppeld van een daaraan ten grondslag liggende ziekte.
1998-2002 Ph. Sutorius
April 1998 beëindigt voormalig PvdA-senator E. Brongersma zijn leven door middel van medicijnen die huisarts Sutorius hem heeft verstrekt. De man had geen ernstige lichamelijke of psychiatrische kwalen: zijn leven was voor hem ondraaglijk geworden.
Voor de Rechtbank Haarlem, waar oktober 2000 deze zaak voorkomt, staat de vraag centraal of in dit geval sprake is van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Waar in het vonnis wordt aangetekend dat in de medische ethiek geen consensus bestaat over de beantwoording van de vraag of ten aanzien van de ondraaglijkheid van het lijden een enge dan wel ruime definitie dient te worden gehanteerd, kiest zij voor een ruime. Verder neemt de Rechtbank aan dat er voor Brongersma geen perspectief op verbetering of verandering was en dat zijn situatie derhalve als uitzichtloos kan worden aangemerkt. Daarmee is aan alle zorgvuldigheidseisen voldaan en deed Sutorius terecht een beroep op het overmachtartikel. Het bewezen verklaarde feit wordt niet strafbaar verklaard en de verdachte wordt van alle rechtsvervolging ontslagen.
Het Openbaar Ministerie gaat tegen deze uitspraak in beroep omdat wordt betwijfeld of in dit geval inderdaad sprake is van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Het OM is van mening dat Brongersma 'levensmoe'/'klaar met leven' is, wat niet valt binnen het medische domein, waartoe zowel de oude regeling als de nieuwe euthanasiewet (2002) zich beperkt.
In een tussenarrest (8 mei 2001) oordeelt het Amsterdamse Gerechtshof dat twee deskundigen de onduidelijkheden rondom ondraaglijk en uitzichtloos lijden nader moeten onderzoeken. Een half jaar later (8 november 2001) brengen de getuige-deskundigen verslag uit. Beider oordeel is dat de zaak Brongersma buiten het medische domein ligt. Op grond hiervan concludeert het Hof dat deze zaak dus niet valt onder de regeling met betrekking tot euthanasie die gold ten tijde van de hulp noch onder de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (2002)
Op 6 december verklaart het Gerechtshof Amsterdam Sutorius schuldig. De arts krijgt echter geen straf opgelegd. Volgens het Hof verkeert de discussie of hulp bij zelfdoding is gerechtvaardigd bij lijden dat niet voorkomt uit ziekte, nog in de beginfase. Eind 2001 gaat Sutorius in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Op 17 december 2002 zet de Hoge Raad de zaak voort. De advocaat-generaal adviseert de Hoge Raad de zaak terug te verwijzen naar het Hof in Den Haag. Op 24 december besluit de Hoge Raad echter anders; zij volgt het arrest van het Amsterdamse Gerechtshof dat Sutorius schuldig verklaarde.