verpleegkundigen
Wetgeving
Euthanasie is het opzettelijk levensbeëindigend handelen door een ander dan de betrokkene op diens verzoek. Zo is dit gedefinieerd door de Staatscommissie voor euthanasie, die in 1985 door het toenmalige kabinet de opdracht kreeg duidelijkheid te verschaffen in de discussies over euthanasie. Sindsdien wordt die definitie overal in Nederland gehanteerd. Gegeven deze definitie, dan zal duidelijk zijn dat de volgende punten niet onder euthanasie vallen:
- Staken of niet starten van een (medische) behandeling die naar heersend medisch inzicht zinloos is.
Een behandeling die volgens artsen voor een patiënt geen enkele zin meer heeft, wordt gestaakt of niet gestart. Het sterven kan intreden, de natuur zijn gang gaan. Dit is uiteraard iets anders dan het sterven forceren, door het toedienen van een euthanaticum zoals bij euthanasie het geval is. - Staken of niet starten van een (medische) behandeling omdat er geen toestemming voor is.
Sinds de WGBo is er voor (ingrijpende) behandelingen toestemming nodig. het kan zijn dat de patiënt in een wilsverklaringen (bijvoorbeeld het behandelverbod) heeft vastgelegd dat hij/zij bepaalde behandelingen weigert. In principe mogen deze dan niet uitgevoerd worden. Het kan ook zijn dat een vertegenwoordiger van de patiënt geen toestemming geeft voor een behandeling. Dit geldt evenzwaar als de toestemming van de patiënt. - Palliatieve sedatie
Onder palliatieve sedatie verstaat de NVVE de combinatie van terminale pijnbestrijding en terminale sedatie. Er wordt gebruik gemaakt van zowel morfine tegen pijn en/of benauwdheid, als van Dormicum tegen angst en onrust. Er wordt geen voedsel en vocht meer langs natuurlijke weg ingenomen en ook niet meer kunstmatig toegediend. De patiënt overlijdt uiteindelijk aan zijn aandoening. Ook palliatieve sedatie is normaal medisch handelen en heeft niets van doen met euthanasie.
Steeds moet men in het achterhoofd houden dat het bij euthanasie gaat om vier punten:
- Opzettelijk levensbeëindigend handelen
- op uitdrukkelijk verzoek van de
- patiënt zelf
- door een ander.
Euthanasie heeft maar één doel: de (door de patiënt gewenste) dood. Alle andere genoemde mogelijke beslissingen rond het levenseinde hebben de bedoeling de dood niet tegen te houden. Leven niet verlengen is iets anders dan leven beëindigen.
Waarom we hier zo over uitwijden is omdat er veel misverstanden zijn in de praktijk over wat nou wel en niet euthanasie is. Sinds de invoering van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding op 1 april 2002 zijn artsen niet meer strafbaar als ze zich houden aan de, in deze wet gestelde, zorgvuldigheidseisen.
Alle andere genoemde beslissingen worden gezien als medisch zorgvuldig handelen.
De wet BIG geeft verpleegkundigen de mogelijkheid op verzoek en onder verantwoordelijkheid van een arts, handelingen uit te voeren die niet strikt verpleegkundig zijn, de zogenaamde 'voorbehouden handelingen'. Volgens het Hof is deze bepaling 'niet rechtstreeks van toepassing op de uitvoeringshandelingen van euthanasie'. In 1995 veroordeelde het Hof te Leeuwarden een Groningse verpleegkundige die, met instemming en onder aanwezigheid van een arts, de dodelijke injectie gaf aan een doodzieke vriend van haar. De arts werd niet vervolgd, de verpleegkundige wel, hoewel zij uiteindelijk geen straf opgelegd kreeg.
De rol van verpleegkundigen en verzorgden
De betrokkenheid van verpleegkundigen en verzorgenden bij patiënten die om euthanasie vragen is een gegeven. Van hieruit dienen zij bij de besluitvorming betrokken te worden, zo schrijft de artsenorganisatie de KNMG in haar 'Herziene standpunt inzake euthanasie'. Het is belangrijk dat de taken duidelijk omschreven en afgestemd worden en dat niemand verplichtingen krijgt opgelegd.
Het is belangrijk dat er binnen een team gesproken kan worden over euthanasie en andere beslissingen rond het levenseinde én dat men van elkaar weet hoe men hier over denkt. Daarvoor is het onontbeerlijk, dat ieder teamlid ook zelf weet hij of zij tegenover euthanasie staat. Dat helpt als een patiënt dit onderwerp ter sprake brengt.
Verpleegkundigen en verzorgenden zijn bij uitstek in staat continuïteit van zorg te bieden. Zij zijn vaak goed op de hoogte van wat de patiënt doet, denkt en voelt. Deze informatie is belangrijk om in te kunnen schatten of het een vrijwillig en weloverwogen verzoek om euthanasie is. Als dit niet het geval is, kan een arts niet over gaan tot euthanasie zonder in problemen te komen volgens de geldende zorgvuldigheidscriteria. Goede verslaglegging door verplegenden en verzorgenden over gesprekken of observaties met betrekking tot euthanasie kan achteraf van groot belang zijn. Ook op de besluitvorming kan deze verslaglegging bijzondere invloed hebben.
Doordat verpleegkundigen en verzorgenden de patiënt meer meemaken, vertelt de patiënt zijn ideeën over euthanasie soms eerder aan hen dan aan de arts. Soms wil de patiënt door het onderwerp aan te kaarten bij verplegend personeel als het ware oefenen met het uitspreken van die gedachten, zonder dat daar direct consequenties aan vast zitten. De patiënt denkt als het ware hardop.
Als de patiënt echt wil dat er iets met die gedachte/wens gedaan wordt, zal de verplegende of verzorgende de patiënt duidelijk moeten maken dat de arts de enige is die eventueel euthanasie kan uitvoeren. De patiënt zal er met de arts (ook) over moeten spreken. De verpleegkundige of verzorgende kan de patiënt helpen deze wensen concreet te formuleren.
Hoewel de media vaak aandacht besteden aan euthanasie, zijn er nogal wat misverstanden over dit onderwerp. Misverstanden bij patiënten, maar ook bij artsen en verpleegkundigen en verzorgenden en bij familie van patiënten. Als spil van de dagelijkse zorg, en daardoor vaak aanspreekpunt, is het goed als verpleegkundigen en verzorgenden goed op de hoogte zijn van de juiste procedures en regels. Ook kunnen zij, desgewenst of gevraagd, patiënten en familie wijzen op instanties die zich bezighouden op het gebied van euthanasie en hulp bij zelfdoding.
De uitvoering van euthanasie is volledig voorbehouden aan artsen. Daaronder vallen ook het klaarmaken/oplossen van euthanatica en 'aanhangen' van de klaargemaakte oplossingen. Een arts helpen met bijvoorbeeld het afplakken van een infuus is een ander verhaal. Bedenk dat de arts, mits die zorgvuldig handelt, niet strafbaar is en de verpleegkundige of verzorgende wel!
Bezwaren
Bezwaren van de instelling
Steeds meer zorginstellingen hebben hun beleid inzake euthanasie vastgelegd. Dit is duidelijk voor medewerkers en voor patiënten. Het is belangrijk dat verpleegkundigen en verzorgenden op de hoogte zijn van dit protocol. Op die manier zijn zij op de hoogte van de procedures die in de instelling gevolgd moeten worden en de procedures bij verschillen in inzichten. Bovendien kan het wel of niet mogelijk zijn van euthanasie binnen een instelling een afweging zijn om een baan te accepteren bij de betreffende instelling.
De NVVE adviseert haar leden voor opname navraag naar het protocol te doen, zodat zij weten waar ze aan toe zijn. Daar is natuurlijk niet altijd tijd voor (bijvoorbeeld een spoedopname). Op verzoek kan de verpleegkundige of verzorgende de patiënt op de hoogte brengen van dit protocol.
Bezwaren tegen het inwilligen van een verzoek om euthanasie
Het kan zijn dat een verpleegkundige of verzorgende op principiële gronden euthanasie afwijst. Dat is een keus die alleen maar gerespecteerd kan worden. Het zal inhouden dat de betreffende verpleegkundige of verzorgende ook op geen enkele manier mee kan werken aan dit verzoek. Het is zorgvuldig om de patiënt dit te vertellen en deze, desgewenst, in contact te brengen met een collega die daar anders over denkt. De dagelijkse zorg mag op geen enkele manier in gevaar komen, die mag ook niet geweigerd worden. Een ieder kan zich echter op grond van gewetensbezwaren onttrekken aan het besluitvormingsproces. Dit heeft geen verdere consequenties voor het verdere functioneren van de verpleegkundige en verzorgende.
Het kan ook zijn dat de verpleegkundige of verzorgende in een individueel geval niet overtuigd is van de wens om euthanasie. In dat geval zal dat duidelijk gemaakt moeten worden aan de anderen die bij de besluitvorming betrokken zijn. Als de verpleegkundige of verzorgende het gevoel heeft dat er niet volgens de geldende richtlijnen wordt gehandeld, is het goed dit eerst aan te kaarten bij de betrokkenen. Er kan immers sprake zijn van een misverstand of van een gebrek aan alle informatie. Als dat niets oplost, kan het aangekaart worden bij derden, bijvoorbeeld de direct leidinggevende, een andere arts, de vertrouwenscommissie... in alle gevallen geldt dat de betrokken arts over verder stappen geïnformeerd moet worden. Pas op voor rigoreuze stappen in een eerste stadium, commotie is eerder veroorzaakt dan weer vergeten.
Bezwaren tegen het afwijzen van een verzoek
Een gewetensbezwaar kan ook andersom ontstaan: een verpleegkundige of verzorgende vindt de afwijzing van een euthanasieverzoek 'onterecht'. 'Onterecht', want er is geen recht op euthanasie, maar indien een verzoek wordt afgewezen en de patiënt 'voldoet aan de geldende criteria', dan kan een afwijzing als 'onterecht' voelen. De KNMG en de Inspectie voor Volksgezondheid vindt eigenlijk dat een arts de patiënt dan moet verwijzen of moet meewerken aan het zoeken naar een andere arts. Dit gebeurt niet altijd. Als verpleegkundige of verzorgende kun je de patiënt ook op deze mogelijkheid wijzen.