De vlaggen zijn gestreken, de borden met Euthanasia2016 weggehaald, de kraampjes afgebroken en sprekers en bezoekers zijn onderweg naar huis of zijn aan het sight-seeing in Amsterdam. De derde en laatste dag van de wereldconferentie is achter de rug. Algemene indruk: goede sfeer, interessant programma, zinnige discussies.

Derde en laatste dag Euthanasia2016

Robert Pool

Euthanasie in Nederland kent diverse paradoxen, argumenteerde professor Robert Pool, professor sociale wetenschap en global health aan de VU in Amsterdam. Het lijkt de hoogste vorm van autonomie en zelfbeschikking van de individuele patiënt, maar dat is het niet. In feite is het geen individuele daad, maar een gemeenschappelijke (met de nadruk op gemeenschap) en het is de meest gereguleerde vorm van doodgaan.
Dat heeft er volgens Pool mee te maken dat de euthanasiewet zijn oorsprong vindt in barmhartigheid, in de praktijk dat dokters in vroeger tijden uit mededogen een terminale, stervende patiënt een 'laatste zetje' gaven.
Het is pas de laatste jaren dat autonomie centraal staat in het debat over euthanasie. Maar in de praktijk blijft de keuzevrijheid van de patiënt gelimiteerd en het monopolie van de arts (en daarachter: de staat) onaangetast. Rond euthanasie heerst een 'regime of truth': zó is het en bij iemand die dood wil zonder aan de criteria te voldoen, wordt al snel gedacht aan oorzaken als depressie of eenzaamheid.
Desondanks rechtvaardigen mensen hun keuze voor zo'n extern gecontroleerde en gefaciliteerde vorm van sterven als hun zelfbeschikkingrecht, zélfs wanneer hun euthanasieverzoek wordt afgewezen. De legalisering van euthanasie in Nederland is niet zozeer het resultaat van liberalisme en tolerantie, zei Pool, maar meer van een verdere uitbreiding van de 'bio-power': de macht van de staat over het lichaam van de burger.

Manya Hendriks

Manya Hendriks, PhD-kandidaat van de Universiteit van Zürich, onderzocht literatuur over autonomie met betrekking tot beslissingen over het levenseinde. Ze kwam tot een tweedeling van het begrip: onbeperkte versus gezamenlijke besluitvorming of liberale versus relationele autonomie. Bij de eerste gaat het vooral om het recht van de patiënt en de afkeer van medisch parternalisme. Bij de tweede speelt de onderlinge relaties tussen mensen en tussen arts en patiënt een grote rol. In twee derde van de 39 onderzochte artikelen ging het om de liberale versie, in een derde om de relationele.

Marianne Snijdewind

PhD-kandidaat van de VU in Amsterdam, Marianne Snijdewind, ondervroeg voor haar onderzoek zowel artsen als experts over de ontwikkelingen na de introductie van de Nederlandse euthanasiewet. Ze kwam tot de conclusie dat het algemene publiek liberaler denkt dan artsen, vooral als het gaat om euthanasie bij psychiatrisch patiënten, mensen met dementie of een voltooid leven. Tekenend was de uitspraak van een arts die zei: 'Ik zie geen enkele rol voor mijzelf in deze gevallen.'
Ze concludeerde ook dat artsen de indruk hebben dat de grenzen van de wet iets zijn opgerekt, terwijl experts constateren dat ze alleen maar duidelijker zijn geworden. Artsen ervaren dat patiënten veeleisender worden. Experts vinden die trend niet exclusief van toepassing op euthanasie, maar in het algemeen op de maatschappij.

Gerrit Kimsma

Huisarts en filosoof aan de Radboud Universiteit, Gerrit Kimsma, onderzocht de argumentaties die de afgelopen decennia voor en tegen euthanasie worden gebruikt. Hij onderscheidt drie typen: die waarin wordt verwezen naar principes en plichten, die waarin wordt gewezen op gevolgen en die waarin wordt gekeken naar de negatieve of positieve effecten op de arts-patiëntrelatie of de zorg in het algemeen.
Uit Kimsma's onderzoek blijkt onder meer dat tegenstanders dezelfde argumenten blijven herhalen ondanks dat er overvloedige bewijzen zijn verzameld die de onjuistheid ervan aantonen. Angsten van tegenstanders zijn niet bewaarheid, vooral niet die voor het 'hellende vlak'. De positieve uitkomsten die werden verwacht, zijn uitgekomen, maar ze hebben wel nieuwe ethische vraagstukken opgeworpen, stelde hij.

Ton Vink

In zijn bijdrage probeerde filosoof en levenseindeconsulent Ton Vink antwoord te geven op de vraag wat een 'goede dood' precies is. Voorwaarden voor een zelfgekozen 'goede dood' zijn volgens hem dat iemand zijn keuze maakt na een helder en zorgvuldig afwegingsproces, dat zijn rol in zijn eigen dood zo groot mogelijk is, dat de dood zorgvuldig is en dat geen extra pijn of lijden wordt toegevoegd, dat de dood zich niet hoeft te voltrekken in gedwongen eenzaamheid, zo mogelijk in overleg met naasten is voorbereid en door de betrokkene in alle rust en vrede wordt aanvaard.
Bij zelf-euthanasie maakt iemand zelf een einde aan zijn leven, bij euthanasie doet de dokter dat. Vink gaf de voorkeur aan zelf-euthanasie boven euthanasie. Hij stelde de vraag waarom mensen een ander mogen vragen hen dood te maken wanneer zij dat zelf kunnen, eventueel met behulp van een infuus dat zij kunnen openzetten in het geval zij niet meer in staat zijn om het dodelijke middel in te nemen.

Boudewijn Chabot

Psychiater Boudewijn Chabot stelde dat euthanasie en de autonome route aanvullende manieren van levensbeëindiging zijn die elkaar niet uitsluiten. Je eigen leven op een waardige manier beëindigen – 'dignicide' – noemde Chabot een 'bijna legale optie'. Hij leidde dat onder meer af uit het feit dat er de afgelopen jaren slechts zes strafzaken tegen levenseinde-counselors zijn geweest (van wie er drie een – lage – gevangenisstraf kregen), dat de KNMG de optie als 'op één na beste' heeft aanvaard en dat de informatie om je leven zelf te beëindigen breder verspreid raakt.
Chabot verwacht dat over ongeveer tien jaar euthanasie net zo'n normale medische praktijk zal zijn als palliatieve sedatie, dat artsen euthanasie alleen nog zullen melden in speciale gevallen zoals bij dementie of psychische problematiek en dat pentobarbital ook dan nog uitsluitend via het internet verkrijgbaar zal zijn. Reden van dat laatste is dat het een internationaal verboden drug is.

Ontvang onze nieuwsbrief

Deel dit item: