NVVE

Veelgestelde vragen

  • Wat was er feitelijk gebeurd?

    Het ging om een vrouw van 74 met de ziekte van Alzheimer. Het verlies van geheugen en verlies van controle over haar leven maakte de vrouw angstig, verdrietig en onrustig. In de ochtend was ze relatief goed, maar ’s middags werd ze somber, emotioneel en huilerig en gaf ze aan dat ze dood wilde. Toen ze in een verpleeghuis werd opgenomen, omdat haar echtgenoot de zorg thuis niet meer kon volhouden, ging het steeds slechter. Zij probeerde de controle over haar leven terug te krijgen door zich te bemoeien met de bewoners en verzorgenden op de afdeling waar zij verbleef, en iedereen opdrachten te geven. Ze raakte echter gefrustreerd doordat medebewoners en verzorgenden niet reageerden zoals zij had verwacht, of zelfs boos reageerden. Dit putte haar uit en leidde tot enorme stress en huilbuien. 's Nachts kwam de vrouw nauwelijks tot rust. Zij miste haar man, waarvan ze nu gescheiden was, en doolde tot diep in de nacht rond op zoek naar hem. Ze bonkte dan op deuren en ramen en schopte tegen de muren. Het was voor iedereen evident dat ze leed. Vanaf het moment dat de vrouw wist dat ze dementie had, heeft ze vaak gesproken met haar huisarts over eventuele euthanasie, en ook een euthanasieverzoek op schrift gezet.

    Op enig moment was de ziekte dusdanig ver ingetreden dat deze vrouw niet meer in staat was de consequenties van euthanasie te overzien en hier een weloverwogen mondeling verzoek voor te doen. Voor de beslissing tot euthanasie was de arts dan ook aangewezen op de schriftelijke wilsverklaring die de vrouw eerder had opgesteld. In deze verklaring had de vrouw vastgelegd dat ze niet in een ‘instelling voor demente bejaarden’ wilde komen en dat ze erop vertrouwde dat ‘tegen die tijd euthanasie zou worden toegepast’. Omdat het lijden evident was, en de arts ervan overtuigd was geraakt dat de vrouw precies deze situatie niet had gewild, heeft de arts heeft deze wilsverklaring gebruikt ter vervanging van het mondelinge verzoek en de euthanasie verleend.

  • Waarom werd de euthanasie niet eerder uitgevoerd?

    Het jaar voorafgaand aan dat van het overlijden heeft patiënte bij de huisarts meermalen duidelijk benadrukt dat zij niet in een verpleeghuis wilde worden opgenomen en dat als dit toch zou gebeuren zij euthanasie wilde. Op dat moment was volgens de huisarts euthanasie voor patiënte echter niet aan de orde. Hoewel patiënte tegen het eind van dat jaar thuis kennelijk regelmatig aangaf dood te willen (met de toevoeging “maar niet nu”), heeft zij de huisarts nimmer om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. Gelet op de mondelinge toelichting van de arts, is aannemelijk dat patiënte ter zake van dit onderwerp in de loop van dat jaar wilsonbekwaam was geworden.

    De huisarts van patiënte was ook niet bekend met euthanasie bij dementerenden en was huiverig om hiertoe over te gaan. Zij heeft onbedoeld het moment waarop patiënte nog wilsbekwaam was en zelf om euthanasie kon vragen voorbij laten gaan.

  • Mag euthanasie wel bij iemand die (gevorderd) dement is?

    De wet sluit euthanasie niet uit voor mensen met dementie, ook niet voor mensen met diepe of vergevorderde dementie. De wetgever had zelfs al rekening gehouden met de situatie dat mensen euthanasie zouden willen als ze (diep of vergevorderd) dement zouden worden. De wetgever realiseerde zich ook dat bij zo'n persoon het vermogen om de wil te bepalen of deze te uiten vaak is aangetast. Dit leidt er soms toe dat zo’n persoon geen ingewikkelde beslissingen meer kan nemen, laat staan een weloverwogen euthanasieverzoek kan doen. De wetgever vond het echter oneerlijk als deze mensen (en andere mensen die op enig moment hun wil niet meer zouden kunnen bepalen of uiten – denk aan mensen met hersenletsel zoals afasie na een beroerte of ongeluk) om die reden geen gebruik zouden kunnen maken van de mogelijkheid van euthanasie. Daarom heeft de wetgever bedacht dat als zo’n persoon eerder, dus op het moment dat hij/zij nog wél in staat is zijn wil te bepalen en te uiten (met andere woorden: wilsbekwaam is), zijn euthanasiewens op schrift zou stellen, de arts dit schriftelijke verzoek mag opvatten als een mondeling verzoek op het moment zelf. Om de arts te verzekeren van deze mogelijkheid heeft de wetgever hier een aparte bepaling in de euthanasiewet voor gemaakt: 

    Artikel 2 lid 2 Wtl: “Indien de patiënt van zestien jaren of ouder niet langer in staat is zijn wil te uiten, maar voordat hij in die staat geraakte tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat werd geacht, en een schriftelijke verklaring, inhoudende een verzoek om levensbeëindiging, heeft afgelegd, dan kan de arts aan dit verzoek gevolg geven. De zorgvuldigheidseisen, bedoeld in het eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.”

    Dankzij dit artikel mag euthanasie dus ook als iemand dement is en intussen zijn wil niet meer kan verwoorden, mits hij/zij eerder een schriftelijk euthanasieverzoek heeft gedaan. Dit schriftelijke euthanasieverzoek moet wel duidelijk van toepassing zijn op de situatie waarin de euthanasie verleend wordt. En verder moet er ook voldaan zijn aan de overige zorgvuldigheidseisen. Er moet dus ook nog steeds sprake zijn van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Dit is soms best lastig vast te stellen als iemand dement is. 

  • Hoe vaak wordt euthanasie bij dementie uitgevoerd?

    Mensen vragen vaak om euthanasie als ze de diagnose dementie nog niet zo lang hebben, en nog in staat zijn om hun wil te bepalen en uiten. Als ze op dat moment een weloverwogen euthanasieverzoek doen is een schriftelijk euthanasieverzoek niet nodig en is het voor de arts ook een stuk prettiger. De arts kan dan de persoon recht in de ogen kijken, vragen of deze het echt wil, en zich op die manier verzekeren van het feit dat deze persoon echt wil overlijden. Aan mensen in deze situatie wordt ongeveer 100 – 200 keer per jaar euthanasie verleend.  

    Het komt erg weinig voor dat een arts de euthanasie enkel op een schriftelijk euthanasieverzoek baseert, dat de patiënt dus helemaal niet meer in staat is op het moment zelf een weloverwogen verzoek te doen. Sinds 2002 is dit 18 keer gebeurd, waarbij het in 15 gevallen ging om een situatie van vergevorderde dementie. De overige gevallen betroffen personen met afasie na een beroerte.

  • Wat was het probleem bij deze euthanasie?

    Er waren meerdere aspecten aan deze zaak die vragen hebben opgeroepen bij de beoordelende instanties. Hieronder staan ze beschreven op een manier die duidelijk maakt waarom ze mogelijk problematisch zijn. Het nadeel van deze manier van beschrijven is dat de context mist. Als u wil weten wat deze context was en hoe de beoordelende instanties uiteindelijk hebben geoordeeld over deze aspecten, lees vooral verder. 

    a. Onduidelijk euthanasieverzoek
    Het schriftelijke euthanasieverzoek bevatte een zinsnede die zorgde voor onduidelijkheid. Er stond namelijk: “Ik wil gebruik maken van het wettelijk recht om euthanasie op mij toe te passen, wanneer ik daar zelf de tijd voor rijp acht.” De toevoeging “wanneer ik daar zelf de tijd rijp voor acht” suggereert dat de vrouw het moment voor de euthanasie zelf wilde kiezen, en dat ze verwachtte dat ze tegen die tijd nog zelf kon aangeven dat ze euthanasie zou willen. Dit was in werkelijkheid echter niet meer zo. De vrouw had geen idee meer wat euthanasie was en kon niet aangeven of het goede moment hiervoor al was aangebroken. De wilsverklaring sprak dus over een situatie die nu niet (meer) aan de orde was. Mocht deze wilsverklaring dan wel gebruikt worden in deze situatie?

    b. Contra-indicaties
    Hoewel de vrouw een euthanasieverzoek had opgesteld met een speciale dementie clausule, en heel vaak in haar leven had aangegeven dat ze niet meer wilde leven als ze dement zou worden en in een verpleeghuis zou moeten worden opgenomen, was ze niet meer zo consistent over euthanasie toen ze eenmaal dement was.

    Toen het steeds slechter ging met de vrouw, gaf zij thuis regelmatig aan dood te willen. Maar even later verklaarde zij dan vaak: “Maar niet nu”. In de laatste zeven weken voor het overlijden gaf de vrouw opnieuw regelmatig aan dat zij dood wilde. Echter, als haar dan rechtstreeks gevraagd werd of zij dood wilde, antwoordde ze ook meermalen in de zin van “Nu nog niet hoor, het is nog niet zo erg!”. Deze uitingen stonden haaks op het euthanasieverzoek. Wilde mevrouw nog wel echt euthanasie?    

    c. Premedicatie
    Bij de uitvoering van de euthanasie had de arts bewust niet meer met de vrouw gesproken over de euthanasie en aan de vrouw een koffie gegeven met daarin een slaapmiddel (premedicatie). De arts had dit gedaan om te voorkomen dat mevrouw in verwarring zou raken, zou schrikken of zich zelfs zou verzetten tegen de gang van zaken. Had dit alleen niet als gevolg dat aan patiente de mogelijkheid werd ontnomen om zich tegen de euthanasie te verzetten? 

    d. Terugtrekkende beweging
    Toen de euthanasie werd uitgevoerd was mevrouw onder invloed van het slaapmiddel maar toch was ze niet helemaal buiten bewustzijn. Tijdens het inbrengen van het infuus maakte ze een terugtrekkende beweging en tijdens de toediening van het euthanaticum kwam ze overeind. De arts ging hierop door met de levensbeëindiging, terwijl de familie de vrouw vasthield. Had de arts misschien anders moeten reageren op de bewegingen van patiente? 

  • Waarom vonden de toetsingscommissies dat de zorgvuldigheidseisen niet zijn nageleefd?

    In 2017 kwamen de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE’s) met hun oordeel over deze euthanasie. De RTE’s oordeelden dat in deze casus twee van de zes zorgvuldigheidseisen niet (goed) waren nageleefd. Ten eerste was er geen (afdoende betrouwbaar) vrijwillig en weloverwogen verzoek en ten tweede was de euthanasie niet medisch zorgvuldig uitgevoerd.

    Het verzoek
    Er was wel een schriftelijke wilsverklaring maar deze bevatte een zinsnede die maakte dat de verklaring voor meerdere interpretaties vatbaar was. Er stond namelijk: “Ik wil gebruik maken van het wettelijk recht om euthanasie op mij toe te passen, wanneer ik daar zelf de tijd voor rijp acht.” De toevoeging “wanneer ik daar zelf de tijd rijp voor acht” suggereert dat de vrouw het moment voor de euthanasie zelf wilde kiezen, en dat ze verwachtte dat ze tegen die tijd nog zelf kon aangeven dat ze euthanasie wil. Dit was in werkelijkheid echter niet meer zo. Als haar werd gevraagd of zij dood wilde, antwoordde ze meermalen iets in de trant van: “Nu nog niet hoor, het is nog niet zo erg!” Het leek erop dat de wilsverklaring dus niet geschreven was voor deze situatie en in die zin niet ‘geldig’ was. Hoewel de commissie inzag dat er ook een ruimere lezing van de verklaring denkbaar was, juist omdat de verklaring, gelezen op de hiervoor beschreven manier, haar betekenis zou verliezen, oordeelde de toetsingscommissie dat, ‘in aanmerking nemend dat het hier letterlijk om een vraagstuk van leven en dood gaat en de levensbeëindiging onomkeerbaar is’, aan de veilige kant moet worden gebleven en aan de meer restrictieve lezing van de dementieclausule moet worden vastgehouden. Aangezien er ook geen mondeling verzoek was, kon de commissie dan ook niet vaststellen dat er een geldig verzoek aan de levensbeëindiging ten grondslag lag. 

    De uitvoering
    Voorafgaand aan de uitvoering van de levensbeëindiging heeft de arts, zonder dit te overleggen met patiënte, een slaapmiddel toegevoegd aan de koffie van de vrouw, om te voorkomen dat de vrouw zich tegen de toediening van de euthanatica zou verzetten en er een worsteling zou ontstaan. De toetsingscommissie oordeelde dat iemand juist altijd de mogelijkheid moet behouden om zich tegen het inbrengen van het infuus dan wel de toediening van de euthanatica fysiek te verzetten. Bovendien zou dit, als dit zou gebeuren, niet moeten uitlopen op een worsteling, maar zou de arts pas op de plaats moeten maken. De commissie vond het dan ook niet juist dat de arts doorging met de levensbeëindiging toen de vrouw tijdens het inbrengen van het infuus een terugtrekkende beweging maakte en tijdens de toediening van het euthanaticum overeind kwam. De commissie vond dat de arts de levensbeëindiging had moeten staken om zich nader te beraden op de ontstane situatie en niet met de uitvoering daarvan had moeten doorgaan, vooral niet nu de vrouw daarbij moest worden vastgehouden (door familie). De commissie oordeelde dat de arts met haar handelwijze een grens heeft overschreden. De commissie gaf mee in haar oordeel dat bij de uitvoering van de levensbeëindiging dwang, en ook de schijn van dwang, tot elke prijs moet worden voorkomen.

  • Wat vond de tuchtrechter van het handelen van de arts?

    Het handelen van de arts is ook voor de tuchtrechter gebracht. Als eerste heeft het Regionaal Tuchtcollege Den Haag de zaak beoordeeld, daarna het Centraal Tuchtcollege.

    Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag (RTG)
    Het Regionaal Tuchtcollege (RTG) heeft net als de toetsingscommissies geoordeeld dat de arts niet had mogen vertrouwen op de schriftelijke wilsverklaring en vond ook dat in de uitvoering de arts niet juist had gehandeld.

    De schriftelijke wilsverklaring
    Het tuchtcollege oordeelde net als de toetsingscommissies dat de arts niet had mogen vertrouwen op de schriftelijke wilsverklaring. Het tuchtcollege spreekt niet, zoals de toetsingscommissie doet, van ‘meerdere interpretaties’, maar van ‘tegenstrijdigheden ten aanzien van het moment waarop patiënte de levensbeëindiging uitgevoerd zou willen zien’. Immers: enerzijds lijkt dit te zijn het moment ‘wanneer patiënte in een verpleegtehuis voor demente bejaarden moet worden opgenomen’. Anderzijds wordt een persoonlijke keuze ingebouwd met de woorden wanneer ik daar zelf de tijd rijp voor acht’ en ‘op mijn verzoek’Het tuchtcollege overweegt, net als de toetsingscommissie, dat aan de veilige kant moet worden gebleven bij dit soort problemen: “gelet op de onomkeerbaarheid van levensbeëindiging en de ethische aspecten die verbonden zijn aan het bewust beëindigen van het leven van een medemens, dient een schriftelijke euthanasieverklaring om deze te kunnen gebruiken niet voor meer uitleg vatbaar te zijn”.

    Het nalaten van communicatie over de euthanasie vlak voor de uitvoering
    Het regionaal tuchtcollege nam het de arts vooral kwalijk dat deze helemaal niet heeft geprobeerd om met patiënte te praten over het concrete voornemen om haar leven te beëindigen en daarbij een slaapmiddel in haar koffie te doen. Dat de vrouw wilsonbekwaam was en waarschijnlijk geen idee had waar deze vragen over zouden gaan, betekent niet ‘dat de arts was ontslagen van de verplichting om ten minste te proberen om met patiënte te praten’ over deze handelingen. Het regionaal tuchtcollege verwijst daarbij naar de WGBO (het deel van het Burgerlijk Wetboek waarin patiëntenrechten zijn opgenomen) en naar de regelgeving rond dwangbehandeling en dwangmedicatie: hieruit volgt dat eerst geprobeerd moet worden om de toestemming van patiënt (passend bij zijn bevattingsvermogen) te krijgen. Als een patiënt dan vervolgens niet wil meewerken kan dit bovendien ertoe leiden dat de arts de behandeling moet staken: “Ook demente patiënten houden het recht om alsnog euthanasie te weigeren.”

    Het toedienen van premedicatie
    Het toedienen van premedicatie was niet perse in strijd met de professionele standaard: het ligt in de rede dat een arts vanuit het oogpunt van goed hulpverlenerschap de premedicatie zodanig toedient dat daardoor geen onrust bij de patiënt ontstaat. Dit staat ook zo beschreven in de EuthanasieCode 2018.

    Het doorgaan met de euthanasie ondanks terugtrekkende bewegingen van patiënt
    Het negeren van de terugtrekkende beweging van de patiënte was niet perse in strijd met de professionele standaard. Deze beweging hoefde niet perse te worden uitgelegd als een weigering van de levensbeëindiging. De reactie kan een schrikreactie of een fysieke reactie geweest zijn op het voelen van de prik (met  midazolam) en/of de ingespoten middelen (met name de thiopental).

    Oordeel: berisping
    De conclusie van het tuchtcollege is dat het handelen van de specialist ouderengeneeskunde op de meeste klachtonderdelen de toets der kritiek niet kan doorstaan. De arts heeft daarmee in strijd gehandeld met de zorg die zij ten opzichte van patiënte behoorde te betrachten. Als maatregel legt het college een berisping op.

    Centraal Tuchtcollege (CTG)
    In hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege (CTG) de maatregel van berisping omgezet in een waarschuwing. Het CTG vond net als het RTG dat de wilsverklaring niet duidelijk genoeg was, en ook dat de arts had moeten proberen te praten met de patiënte vlak voor de uitvoering van de euthanasie maar bracht twee belangrijke nuances aan:

    De schriftelijke wilsverklaring
    Hoewel het belangrijk is dat een schriftelijke wilsverklaring duidelijk genoeg is, is het geen vereiste dat de wilsverklaring van begin af aan eenduidig is. Het CTG benadrukte dat schriftelijke wilsverklaringen door patiënten zelf, zonder juridische bijstand, worden opgesteld. Dat betekent dat er bij de uitleg van een schriftelijke wilsverklaring (altijd) sprake zal (kunnen en moeten) zijn van enige interpretatie.

    Het interpreteren van een schriftelijke wilsverklaring dient zorgvuldig te gebeuren en in dat proces heeft de arts in dit geval alles gedaan wat ze had kunnen doen. Ze had patiënte in die periode uitvoerig geobserveerd en bij de verzorging inlichtingen ingewonnen over het gedrag van patiënte. Ook had ze de schriftelijke wilsverklaring uitvoerig bestudeerd en nadien met het team besproken. Tot slot had de arts de overtuiging van familie en naasten betrokken in haar afweging. Het centraal tuchtcollege was dusdanig te spreken over dit handelen dat ze oordeelde dat op dit punt de arts niets verweten kon worden.

    Ook zei het CTG: “De uitleg van de arts is niet onbegrijpelijk te noemen en het is ook niet onwaarschijnlijk te achten dat met deze uitleg de wens van patiënte tot uitdrukking is gebracht.” Toch betekent dit niet dat de arts het helemaal goed had gedaan. Ze had op de juiste manier de wilsverklaring geïnterpreteerd en ook haar uitkomst was begrijpelijk, maar een andere uitkomst was ook nog steeds mogelijk. Daarom had de arts hier niet op mogen vertrouwen.

    Communicatie
    De tweede nuance is dat het CTG nadrukkelijk begrip toonde voor de arts: “Op zichzelf lijkt het voorts weinig zinvol en geen redelijk doel te dienen met een volledig wilsonbekwame patiënt het voornemen tot uitvoering van euthanasie en het moment en de wijze waarop dit gaat gebeuren te bespreken.” Toch vond ook het CTG dat het bespreken, althans een poging daartoe, onmiskenbaar een toevoeging is aan de vereiste zorgvuldigheid van die uitvoering. Om die reden mag dit, ook bij een volledig wilsonbekwame patiënt, in beginsel niet achterwege blijven.

  • Waarom vindt het OM dat de zorgvuldigheidseisen niet zijn nageleefd?

    Het OM vindt dat er geen sprake is van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. Opmerkelijk is dat het OM niet vindt, anders dan de toetsingscommissies en de tuchtrechter, dat de schriftelijke wilsverklaring onduidelijk is: “Ik vraag mij af of die twee lezingen - enerzijds euthanasie bij opname in een verpleeghuis; anderzijds regie over het moment van euthanasie - wel dubbelzinnig zijn, zoals de RTE en Centraal Tuchtcollege stellen. Volgens mij sluiten die elkaar niet uit. In de dementieclausule en haar onderliggende euthanasieverzoek heeft patiënte aangegeven dat zij “beslist” niet wilde worden opgenomen in een verpleeghuis. Daarover zijn haar verklaringen kristalhelder. Vanaf dat moment wilde zij in elk geval euthanasie. Dat duidelijke verzoek kan ik goed rijmen met haar wens om vóór die opname nog regie te houden over een eerder euthanasiemoment. Het liefst wilde zij eerder al euthanasie, wanneer zij nog “enigszins wilsbekwaam was” en thuis afscheid kon nemen van haar dierbaren. Dat moment wilde zij dan zelf nog kunnen bepalen. Als die gelegenheid voorbij was en zij werd opgenomen in een verpleeghuis, was het voor haar duidelijk: dan wilde zij in elk geval euthanasie. Dat was voor haar - bot gezegd - een letterlijke deadline. Ik vind de verklaring dus niet dubbelzinnig.”

    Waarom vond het OM dán dat er geen sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek? Het OM leidt uit de wetsgeschiedenis af dat bij wilsonbekwame patiënten die nog wél een concrete doods- of levenswens kenbaar kunnen maken, het schriftelijk verzoek (mondeling) geverifieerd moet worden bij de patiënt. Nu de arts dat niet heeft gedaan heeft, mocht ze niet ervan uitgaan dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. Aldus het OM.

  • Waarom wordt deze zaak ook nog bij de strafrechter behandeld terwijl de toetsingscommissies en de tuchtrechter het handelen van de arts al hebben be- (en ver)oordeeld?

    Het OM geeft twee redenen waarom ze ondanks de eerdere oordelen nog kiest voor strafrechtelijke vervolging:
    1) Er is een belangrijke zorgvuldigheidseis geschonden die het verschil markeert tussen gerechtvaardigde euthanasie en moord
    2) De zaak roept belangrijke rechtsvragen op – een antwoord daarop door de strafrechter kan zorgen voor meer zekerheid bij artsen en patiënten

    De NVVE vindt deze twee redenen niet geloofwaardig. Het strafrecht is, net als euthanasie, een ultimum remedium. Dat betekent dat het alleen mag worden ingezet als er geen (betere) alternatieven zijn. De NVVE vindt dat hier niet het geval.

    Het bestraffen van een ernstig misdrijf als moord moet uiteraard voor de strafrechter worden gebracht, maar eenieder, ook het OM, heeft er moeite mee om dat wat hier gebeurd is te zien als een misdrijf. Het zou wat anders zijn als de arts de euthanasieprocedure had misbruikt om een moord te plegen – dat is een uitwas waar het OM super scherp op moet zijn, maar dat was hier niet aan de orde. De tuchtrechter heeft geoordeeld dat ‘het niet onwaarschijnlijk te achten is dat met deze uitleg de wens van patiënte tot uitdrukking is gebracht’ en het OM zelf heeft meerdere keren gezegd dat de arts ‘naar eer en geweten heeft gehandeld’. Dat wat de arts toch verkeerd heeft gedaan in de ogen van het OM, het niet (proberen te) communiceren met de patiënte over de euthanasie en de wijze van uitvoering, is ook al door de tuchtrechter geconcludeerd, en een maatregel (waarschuwing) is opgelegd. De toegevoegde waarde van het strafrecht zit in, de naam zegt het al, het kunnen straffen van een persoon. In dit geval echter wenst het OM geen gebruik te maken van deze mogelijkheid. De vraag is wat het strafrecht dan toevoegt.

    Daarmee komen we bij de tweede reden van het OM om te vervolgen: het beantwoorden van belangrijke rechtsvragen. De NVVE is het om te beginnen eens met de advocaat van de arts die zegt dat er hier geen onduidelijkheid is, dat de wet weliswaar enige bestudering vergt, maar dan toch een helder antwoord geeft op de vraag of een arts een euthanasieverzoek nog mondeling moet verifiëren (nee). Maar ook als er wel onduidelijkheid zou zijn over de toepassing van de wet kan die duidelijkheid veel beter op andere manieren worden gebracht. De politiek en de beroepsgroep kunnen zich uitspreken, de RTE’s kunnen hier aandacht aan besteden en als de zaak dan toch door een rechter moet worden behandeld, kan dit beter middels cassatie in belang der wet dan middels deze strafzaak. 

    Hoewel de NVVE erkent dat de wet gehandhaafd moet worden, en dat een strafrechtelijke vervolging daar het vervolg van kan zijn, vindt ze het in deze zaak, waarin een arts zich zo transparant heeft opgesteld en zo zorgvuldig heeft gehandeld, ongepast. Vooral omdat de beschuldiging ‘moord’ menig toekomstig arts zal afschrikken om euthanasie te verlenen in een dergelijke situatie. 

  • Welke rechtsvragen ziet het OM?

    Het OM vindt dat de zaak drie belangrijke rechtsvragen oproept:

    1. Over de uitleg van een schriftelijk euthanasieverzoek: waaraan moet die voldoen en welke interpretatieruimte heeft een arts?
    2. Over de houdbaarheid van dat schriftelijke euthanasieverzoek: wie heeft het laatste woord? De wilsbekwame die het schriftelijk verzoek heeft opgesteld of dezelfde persoon in demente, wilsonbekwame toestand? Mag iemand zichzelf bij volle verstand beschermen tegen zijn latere, demente zelf? Of verdient de demente patiënt bescherming tegen zijn eigen, eerdere wil? In andere woorden: moet een arts verifiëren of een demente patiënt nog steeds dood wil, ook als die patiënt niet meer in staat is om dat te overzien en uitzichtloos en ondraaglijk lijdt?
    3. Over de uitvoering van de euthanasie: als duidelijk is dát een demente, wilsonbekwame patiënt euthanasie wil, moet een arts dan nog in gesprek over het moment en de wijze waarop de euthanasie wordt uitgevoerd? Of mag er zonder overleg euthanasie, met gebruik van slaapmiddel, worden verleend?


    Volgens het OM zien deze drie vragen allemaal op de wil van de patiënt. De laatste (derde) vraag lijkt echter meer te gaan om de uitvoering, en in die zin meer te gaan om de professionele standaard van de arts, dan om de wil van de patiënt.

    Ten aanzien van deze vragen geeft de wet hierop, volgens het OM, geen duidelijk antwoord. Het OM vindt dit omdat de wet zelf niet expliciet hierover is, in de wetsgeschiedenis wel gedachten hierover te vinden zijn, maar deze niet leiden tot een duidelijke conclusie, en er ook nog nooit een rechtszaak over is gevoerd. De advocaat van de arts ziet dit anders. De verdediging meent namelijk dat de rechtsvraag die het OM opwerpt, geen rechtsvraag is, maar duidelijk beantwoord wordt door de wetsgeschiedenis.

  • Waarom vindt het OM dat er geen sprake is van euthanasie maar van moord?

    Er is alleen sprake van euthanasie als er sprake is van een levensbeëindiging op ‘uitdrukkelijk en ernstig verlangen’, dat is namelijk de kwalificatie van euthanasie volgens het Wetboek van Strafrecht (art. 293). Omdat in deze zaak mogelijk niet is voldaan aan de eerste zorgvuldigheidseis van de Euthanasiewet, te weten het bestaan van een ‘vrijwillig en weloverwogen verzoek’, betekent dit volgens het OM dat er ook geen sprake is van een ‘uitdrukkelijk en ernstig verlangen’. Zonder deze context blijft enkel levensbeëindiging over, en dat is in het Wetboek van Strafrecht (art. 289) gekwalificeerd als moord.
  • Wat betekent de uitspraak van de rechtbank voor u?

    Deze uitspraak bevestigt dat euthanasie bij gevorderde dementie wel degelijk mogelijk is, ook als u ten tijde van de uitvoering niet meer wilsbekwaam bent. De uitspraak maakt duidelijk dat

    1. een wilsverklaring noodzakelijk en belangrijk is en dat deze wel duidelijk moet zijn, maar dat deze niet ‘juridisch dichtgetimmerd’ hoeft te zijn
    2.  een arts niet de plicht heeft om uw euthanasieverzoek mondeling bij u te verifiëren als u daartoe niet meer in staat bent
    3. een arts u van tevoren een slaapmiddel mag geven als de omstandigheden dat rechtvaardigen


    Realiseert u zich dat dit juridisch gezien mogelijk is, maar dat lang niet alle artsen in de praktijk bereid zijn euthanasie te verlenen in zo’n situatie! Daarom, wat moet u doen als u euthanasie wil in geval van gevorderde dementie?

    1. Stel een wilsverklaring euthanasie op als er een vermoeden is van dementie. Dit kunt u alleen doen maar ook samen met uw naasten. Zij kunnen u helpen met formuleren, en u betrekt hen op deze manier in uw zienswijze en wensen. U kunt hulpteksten vinden op onze website onder ‘mijn NVVE’.
    2. Ga met deze wilsverklaring naar uw huisarts en voer het gesprek met hem/haar. Benoem daarbij uw wensen en vraag uw arts of hij bereid is u euthanasie te verlenen op enig moment. Bespreek de verwachtingen over en weer. Vraag uw arts ook uw verklaring in uw dossier te bewaren. 
    3. Vraag iemand in uw directe omgeving om uw belangen te vertegenwoordigen als u dat zelf niet meer kunt. Deze persoon kan niet namens u om euthanasie vragen, maar kan uw wilsverklaring wel onder aandacht van uw arts brengen. 
    4. Blijf met uw arts in gesprek over uw wensen en check regelmatig uw medische toestand en uw beider verwachtingen voor de toekomst. 
  • Hoe gaat een strafrecht proces bij euthanasie eigenlijk?

    Stap 0: Toetsingscommissies oordelen dat niet aan alle eisen van de wet is voldaan
    Na afloop van een uitgevoerde euthanasie wordt deze door de arts gemeld aan de gemeentelijk lijkschouwer. Daarna wordt de euthanasie door de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE’s) beoordeeld. Als die vinden dat er aan (een of meerdere van) de voorwaarden van de wet niet is voldaan, sturen ze de zaak door naar het Openbaar Ministerie. 

    Stap 1: Openbaar Ministerie doet vooronderzoek
    Het Openbaar Ministerie (OM) doet een zogenaamd ‘vooronderzoek’: ze vragen nog meer informatie op en doen eigen onderzoek naar het gebeurde. Als het OM op basis hiervan denkt dat het een belangrijke en kansrijke zaak is, kunnen ze besluiten de arts te vervolgen.

    Stap 2: Openbaar Ministerie besluit tot rechterlijke vervolging
    In Nederland wordt een strafzaak altijd voor de rechter gebracht door het Openbaar Ministerie (OM). Die doet dit namens de Nederlandse samenleving. In een strafzaak staat de verdachte dus nooit tegenover het slachtoffer, maar altijd tegenover de Nederlandse staat (in de vorm van het OM).

    Stap 3: Openbaar Ministerie en de verdediging worden gehoord door de rechtbank
    De rechtbank (de eerste rechterlijke instantie die naar de zaak kijkt en daar een oordeel over velt) organiseert een ‘zitting’ waar zowel het OM als de (advocaat van de) verdachte hun verhaal mogen doen. Het verhaal van het OM heet ‘requisitoir’, het verhaal van de verdediging heet ‘pleidooi’. Het OM komt in het requisitoir met een tenlastelegging (het strafbare feit waar verdachte van wordt verdacht) en een eis (de straf).

    Stap 4: De rechtbank doet uitspraak
    Nadat de rechters van de rechtbank de argumenten van beide partijen hebben gehoord en alle bijbehorende relevante informatie tot zich hebben genomen vellen ze een oordeel. Dit oordeel wordt uitgesproken op een nieuwe zitting. In dit oordeel geven de rechters altijd antwoord op een aantal vragen. Eerst worden er twee ‘formele’ vragen gesteld.

    Formele vragen:
    1) Is de rechtbank bevoegd om over deze zaak te oordelen? Nee → De rechtbank is onbevoegd. Indien mogelijk wordt de zaak doorverwezen naar een andere rechtbank of andere rechterlijke instantie.
    1) Is het OM gerechtvaardigd tot vervolging over te gaan? Nee → Het OM wordt niet-ontvankelijk verklaard.

    Als het antwoord op beide vragen ‘ja’ is gaat de rechter door met de inhoudelijke beoordeling. 

    Inhoudelijke beoordeling:
    1) Heeft de verdachte het gedaan?  Ja → Feit is bewezen verklaard / Nee → Vrijspraak
    2) Was dit feit ook strafbaar?    Ja → Veroordeling / Nee → Ontslag van alle rechtsvervolging
    3) Welke straf moet de dader krijgen? De wet bepaalt de maximum straf voor dit delict. De rechter bepaalt de specifieke straf in dit geval.

    NB: Als de rechters vinden dat de dader al genoeg gestraft is, of om andere reden geen straf verdient kunnen ze er ook voor kiezen geen straf op te leggen. Juristen hebben het dan over toepassing van artikel 9a (uit het Wetboek van Strafrecht).

    Stap 5: Hoger beroep (eventueel)
    Als de verdediging of het OM het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank, kunnen ze besluiten om in hoger beroep te gaan. Dit betekent dat ze een nieuwe rechterlijke instantie (het gerechtshof) vragen opnieuw naar de zaak te kijken. De partijen mogen opnieuw hun verhaal doen (ze mogen dit ook nog aanpassen) en de rechters van het gerechtshof doen opnieuw uitspraak. De vraag om hoger beroep moet gedaan worden binnen een bepaalde termijn. In deze zaak heeft het OM 2 weken om in beroep te gaan.   

    Stap 6: Cassatie (eventueel)
    Als de verdediging of het OM het opnieuw niet eens zijn met het oordeel kunnen ze dat opnieuw aanvechten. Ze vragen dan de Hoge Raad (de hoogste rechterlijke instantie) om nog eens naar het oordeel van het gerechtshof te kijken. De Hoge Raad moet uitgaan van de feiten zoals die eerder naar voren zijn gebracht en vastgesteld door het gerechtshof en mag eigenlijk alleen maar het oordeel van het gerechtshof toetsen. Dit is een zogenaamde ‘marginale’ toets: had het gerechtshof zo mogen/kunnen oordelen of is het oordeel onbegrijpelijk of onjuist gemotiveerd? De Hoge Raad hoeft dus niet te bedenken of de uitspraak beter had gekund, of dat ze het er wel of niet mee eens zijn, maar enkel of de uitspraak die er ligt ‘er mee door kan’, vanuit juridisch perspectief. Als dat niet zo is moet de Hoge Raad de uitspraak vernietigen. De zaak wordt dan 'terugverwezen' naar hetzelfde hof, of 'doorverwezen' naar een ander hof, in beide gevallen met de opdracht om een nieuwe (betere) uitspraak te doen. Doorstaat de uitspraak van het hof de toets van de Hoge Raad, dan blijft deze in stand. 

    Stap 7: De uitspraak gaat ‘in kracht van gewijsde’
    Als de zaak tot en met de Hoge Raad is gevoerd en daar in stand is gebleven dan is de uitspraak onherroepelijk geworden. Juristen hebben het dan over ‘kracht van gewijsde’. In gewone mensen taal: er is dan ‘niets meer aan te doen’. 

    De uitspraak wordt ook onherroepelijk als deze is gewezen door de Rechtbank of het Gerechtshof, en geen van beide partijen maakt (binnen de termijn) gebruik van de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan. Ook dan gaat het vonnis ‘in kracht van gewijsde’.

    NB: Er is één uitzondering: als later nieuwe feiten worden gevonden die een heel ander licht op de zaak werpen. Dit gebeurde laatste jaren wel bij moordzaken, door de vondst van DNA. Een zaak wordt dan heropend. Dit gebeurt echter zelden.

Over de NVVE

De NVVE is er voor iedereen die waardig wil sterven. Wij willen een optimale uitvoering van de euthanasiewet, vooral voor groepen die in de praktijk geen hulp krijgen, zoals mensen met dementie, chronisch psychiatrische patiënten en ouderen die vinden dat hun leven voltooid is.

Het Adviescentrum van de NVVE staat altijd voor zijn leden klaar. Wij zijn op werkdagen tijdens kantooruren bereikbaar voor al uw vragen over het (naderend) levenseinde.

Lees verder

Ontvang onze nieuwsbrief

We gebruiken cookies en andere technieken om uw bezoek aan onze site beter en makkelijker te maken. Maar dat betekent ook dat wij en andere partijen zoals Google meer over uw internetgedrag te weten komen dan u misschien fijn vindt.
Wilt u weten wat precies, kijk dan op onze 
Privacy- en cookieverklaring. En u mag natuurlijk altijd nee zeggen tegen cookies: dan werkt de site soms wat minder goed.